Zeitgeber

Een smerige kamer, de muren vol vlekken. Donkerbruine, uitgesmeerde vlekken. Aan het – vrij hoge – plafond een peertje aan een dunne draad. De onafgewerkte smerige betonnen vloer is bedekt met proppen grijzig papier. Aan een van de vier muren hangt een scheurkalender. Daarboven een stationsklok, waarschijnlijk ooit wit geweest, met gebroken glas. De seconden weergalmen in de kleine ruimte. Midden in het kamertje een regisseurstoel, gericht op de kalender en de klok. Voor de stoel, in de hoek van de kamer een metalen prullenbak gevuld met wederom proppen papier. In de muur aan de rugzijde van de stoel zit een deur in de muur, welke naar de stand van de scharnieren te zien naar buiten opent. Als deze ooit al geopend zou worden, want de deur heeft, aan de binnenkant, geen klink. Ramen zijn er niet.

Op het stoeltje zit een oude man met evenveel haren op zijn hoofd als vingers aan zijn hand. Hij weet niet waarom hij elke dag als beide wijzers van de klok voor de tweede maal op twaalf staan en, er een oorverdovende zoemer klinkt die de hele kamer laat trillen, opspringt uit zijn stoel en de dag van vandaag van de scheurkalender trekt, verfrommelt en achteloos in de hoek richting de prullenbak gooit. Hij weet dat het moet, het is zijn plicht, hij kan niet anders. Hij weet dat de dagen voorbij gaan zolang hij scheurt. Toch is hij oud en (het scheuren) der dagen zat. Maar hij moet, hij kan niet anders. Duizenden en duizenden dagen en gelijk aantal proppen geleden merkte hij dat het verval reeds was ingezet. Sindsdien kost het hem bijna per etmaal meer moeite en energie uit zijn zetel te rijzen voor zijn zware taak. Minstens twee maal heeft hij geprobeerd er een eind aan te maken. De eerste keer probeerde hij zich de lucht te ontnemen door zoveel mogelijk proppen in zijn mond en luchtpijp naar binnen te brengen. De tweede keer door zo lang hij kon met zijn hoofd tegen de muur te slaan. Twee pogingen en even zovaak vond hij zichzelf nog voor de zoemer bezweet en hevig snakkend naar adem terug in zijn stoel alsof hij wakker schrok uit een enge droom.

Zijn niveau van bewustzijn is afgevlakt tot een stabiele lijn, geen pieken geen dalen. Of hij slaapt of wakker is, of allebei of geen van beiden, hij denkt er al heel lang niet meer over na. Of over al te veel andere dingen. Basaal is abstract geworden. Hij wil wel schreeuwen, zo hard hij kan, maar als hij het probeert gebeurt er niets. Het geluid sterft af nog voor het zijn mond verlaten heeft. De enige geluiden die hij nog kent worden gemaakt door de klok, de zoemer en het scheuren van dagen.

De oude kale man kijkt op naar de klok. Vijf voor twaalf. Droevig slaat hij zijn hoofd neer als hij opeens iets nieuws, iets onbekend hoort achter zich. Hij draait zich om en beseft nu pas dat er op de deur geklopt wordt. Drie maal. Dan opent de deur en is de kamer in een fractie van een seconde gevuld met fel licht. De oude man ziet niets meer van de kamer om hem heen, alles is wit. Als zijn ogen gewend zijn aan de overmaat aan fotonen ziet hij een schim in de deuropening staan. De schaduw nadert en blijkt – aan de bouw te zien – een mens, waarschijnlijk een man. De schim nadert. Een prachtig zwart maatpak. Zeker een man. Zijn gezicht kan de oude man niet zien, het is gehuld in een vage waas. In zijn linkerhand heeft de man een of ander klein, maar dik, boek. De oude man zit nog steeds in zijn stoel en huivert. Snel kijkt hij over zijn schouder naar de klok, hij heeft nog enkele minuten.

De vreemdeling komt rustig op de stoel afgelopen en de oude man is doodsbang, al weet hij niet preies waarom. Bij wijze van vluchtpoging staat hij op uit zijn stoel. Als de vreemdeling voor de bevende oude man tot stilstand komt duikt deze ineen. De schim torent nu zeker een halve lichaamslengte boven de man uit en werpt een blik op de klok. Rustig brengt hij zijn linkerarm omhoog en opent het boek met zijn andere hand. Hij bladert wat tot hij gevonden heeft wat hij zocht. “Het is volbracht”, zegt hij nu. Zijn stem klinkt vreemd in de oren van de oude man, en toch vertrouwd. Nu heft de schim zijn rechterhand en reikt uit naar het kale hoofd van de kalenderscheurder. De hand van de schim raakt de man tussen de ogen. De oude man voelt voor het eerst iets dat op geluk lijkt. Binnen enkele tikken van de klok vertrekt zijn gezicht echter tot een grimas en zakt de man in elkaar. Op zijn gezicht staat pijn te lezen, de plek tussen zijn ogen waar de schim hem heeft aangeraakt wordt versierd door een zwarte vlek.

Elders drukt een man, eveneens in maatpak, vastberaden, tegen alle adviezen van zijn raadgevers in, op een knop waarop een rood lampje begint te knipperen en een luide pieptoon klinkt. Nog geen minuut later klinkt op diverse plaatsen een luid gedonder en schieten honderden puntige metalen cilinders de lucht in. Witte rooksporen in de lucht achterlatend.

Frank