Zeker weten?

LenteZaterdagmiddag, ik zit buiten in de zon, ik heb uitzicht op een half omgeploegd weiland en in de verte wat hoogbouw en een rij bomen. Voor mij op de picknicktafel ligt een leeg vel papier, in mijn hand (rechts) een pen. In de verte het eerste voorzichtige groen aan de bomen. Binnen wacht mij een kathedraal van – gedurende afgelopen week opgespaarde – gestapelde vaat. Maar daar heb ik echt nog geen zin in. Buiten blijven dus, en dat is eerlijk gezegd bepaald geen straf, want het lijkt wel lente! Ik zit te peinzen over een onderwerp voor dit essay (dat ik dit nu op schrijf is overigens wel een mooi praktijkvoorbeeld van metacommunicatie).

Met een wetenschapsfilosofisch thema als dat van de serie – uiteenlopende – lezingen van Studium Generale van dit jaar, Zeker weten!, is het niet raar dat een dergelijke brainstormsessie in de zon al snel uitmondt in iets dat uitgestrekter is en dieper dan zomaar een onderwerp voor een essay. En vooral ook in iets veel persoonlijkers. En met die gedachte ga ik aan de slag.

Terwijl naast mij een beker koffie gemoedelijk staat te dampen, vraag ik mij af wat ík nu eigenlijk allemaal zeker weet. Wat versta ik onder mijn – persoonlijke – vrijheid van handelen? Hoe vrij ben ik binnen mijn studie, en later in mijn werk? Tot voor kort zou ik gezegd hebben dat die persoonlijke vrijheid redelijk groot is. Ik draag de kleding die ik wil, ik richt mijn huisje in zoals ik dat wil, ik kijk de films en lees de boeken die ik wil. Ik kies mijn vrienden. Ik drink Coca Cola en geen Pepsi. Omdat ik dat wil. Of toch niet? Ik geloof dat ik, met de genetische inslag welke ik aan drie jaar Biologie heb overgehouden, de invloed van de omgeving, de groep en de daarmee gepaard gaande sociale druk altijd wat heb onderschat. Een proces dat met aanrakingen, geluiden, geuren, vergelijkingen en sociale interacties al voor de geboorte is begonnen en dat mensen mede vormt en maakt tot wie ze zijn [Woertman, 2008]. Er is meer dan de code van ruim drie miljard ‘letters’ in het deoxyribonucleinezuur. Hoewel dat voor mij wel de absolute basis blijft, zie het als een uitgangspunt. Die code is waarom mensen en dieren verschillen. Dat is waarom jij en ik, de mensen, theory of mind bezitten en waarom dat bij dieren nog maar zeer de vraag is. Als onze evolutionaire verwanten het al hebben, weten ze dat wel goed te verbergen. Of komt het er vrij beroerd uit en zijn er wel erg veel wetenschappers voor nodig om dat via omslachtig opgezette proefjes, bijvoorbeeld met communicatoren, getuigen en verstoppers, ‘zichtbaar’ te maken [Sterck, 2008].

Middels een zelfbeeldtest op de website van de cursus, naar aanleiding van het college over sociale druk, kwam ik er dan wel achter dat ik niet erg gevoelig ben voor cosmetische chirurgie, maar in hoeverre dat een maat is voor de verdere gevoeligheid voor sociale druk is natuurlijk altijd maar de vraag. Het feit dat ik nu mijn zwarte leren gympen – gekocht omdat ik ze oprecht mooi vond – overal in het straatbeeld terug zie keren, spreekt natuurlijk wel tegen mijn individualiteit. Alsook mijn IKEA-meubilair, en mijn cd- en dvd-verzameling. Het is soms beangstigend hoe doorsnee ik blijk te zijn, BMI-test, zelfbeeldtest, verkiezingen, en zo verder. Blijkbaar is er toch veel sociale druk, waaronder mensen in een bepaald keurslijf worden geperst. Het is dat ik weet dat gemiddeld zijn, zelf spreek ik liever over aan de gulden snede voldoen, een bewezen strategie is. Een ander voorbeeld van sociale druk is dat ik weet dat ik bepaalde opmerkingen niet kan maken in bepaalde gezelschappen, en dat dan ook nog eens daadwerkelijk laat. Ik ben dan wel gemiddeld, ik ben daar wel flexibel in.

En zo ben ik er inmiddels, denk ik, wel ongeveer uit wat vrijheid van handelen voor mij persoonlijk inhoudt. Niet dat ik altijd en overal wil kunnen doen en laten waar ik zin heb, zonder consequenties en verplichtingen. Maar ik wil wel de ruimte hebben tot impulsiviteit. Ik wil de mogelijkheid hebben, als ik daar af en toe behoefte aan heb, om alles even – een middag is vaak al genoeg – achter me te laten en mijn impulsen te volgen. Maar niet tot in de extremen, ik was immers erg doorsnee. Voor mij dus geen heroïne of een enkeltje naar Moskou. Heroïne is ontzettend passé en voor lastminutes naar verre landen ben ik niet avontuurlijk genoeg. Mijn vrijheid en geluk zitten in kleine dingen. Ik wil af en toe de sleur doorbreken, dat is alles. Zo stond ik een poosje geleden op een winderige regenachtige dag, de dag voor een groot tentamen, opeens op het strand voor een soort van blind date. Tot dat moment wist ik ook niet dat die überhaupt nog bestonden. Het tentamen is er toen bij ingeschoten, maar daar zat ik niet mee. En nog steeds niet.

De vrijheid van handelen in de wetenschap en het onderzoek, bijvoorbeeld aan een universiteit, is een behoorlijk complexer vraagstuk. Zo ook – of misschien wel juist – in het veld van mijn studie, de Biologie. Afgelopen twee maanden heb ik voor een cursus een mini-stage gelopen bij een van de vakgroepen van Biologie. Van mijn begeleider hoorde ik niet alleen nog eens dat onderzoek ontzettend duur is, een paar honderd μL van een willekeurig gepurificeerd eiwit kost al gauw enkele honderden euro’s. Maar ook dat een substantieel deel van het geld voor veel onderzoeken uit het bedrijfsleven komt. En dat zo’n tertiaire geldstroom, zoals dat officieel in de boekhouding heet, de nodige gevaren met zich mee brengt, werd dit weekend door een onderzoek van de Volkskrant weer duidelijk. Toen bleek dat een groot deel (bijna een kwart) van de salarissen van het hooglerarenkorps, betaald wordt met geld uit de commerciële sector [Volkskrant, 11 april 2008].

Hoe vrij ben je als wetenschapper om te onderzoeken wat jij wilt, op de manier waarop jij dat wilt? Volgens John Locke [Nys, 2008] is vrijheid de mogelijkheid om te kiezen, alle kennis is empirisch te vergaren. Maar er moet wel gekozen kunnen worden. In hoeverre kunnen wetenschappers vrij kiezen? Van dezelfde stagebegeleider kreeg ik hierover een aardige anekdote uit de praktijk, waarover ik verder niet al te gedetailleerd zal zijn. In het kort kwam het erop neer dat een groot bedrijf om de ontwikkeling van een methode om eiwitten te extraheren uit bloed had gevraagd. Na anderhalf jaar was er een goed werkende methode ontwikkeld aan de universiteit. Het bedrijf had ondertussen echter al een apparaat gemaakt om het proces te automatiseren. Deze machine werkte echter niet goed in combinatie met de ontwikkelde methode. Men wilde hier echter niet van weten en koos ervoor om met het apparaat door te gaan. Proefdieren sneuvelden en het hele project was verder gedoemd te mislukken en werd begraven. Dat deze methode, wanneer gebruikt met een goede machine, wel degelijk veelbelovend was, deed nauwelijks ter zake. Er speelden overduidelijke grotere belangen, en wel die van het grote geld. Money makes the world go round, in de musical Cabaret (1966) zong men het al.

Dat onderzoek steeds afhankelijker is van geld van buiten de onderzoeksgroep of de universiteit, heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat universiteiten niet meer de prestigieuze schier onaantastbare instellingen zijn die ze ooit waren. Was de universiteit vroeger een haast soevereine staat, tegenwoordig moet ook daar – onder andere door privatisering – flink bezuinigd worden. Er wordt zoveel onderzoek gedaan, naar zoveel interessante dingen, het is anders niet meer te bolwerken. Wel speelt de afhankelijkheid van geld vooral een rol bij het onderzoek dat zich in de buurt van de commerciële sector bevindt, zoals bijvoorbeeld de farmaceutische industrie of voedselfabrikanten. Bedrijven en sectoren waarvan bekend is dat ze niet alleen over veel geld beschikken, maar ook dat ze het niet altijd even nauw nemen met de objectiviteit. En dat terwijl er toch ook bij zulke bedrijven in huis onderzoek wordt uitgevoerd.

De Fransman Bruno Latour heeft over de objectiviteit van de wetenschap gezegd, “Science is politics by other means“, vrij vertaald, wetenschap is een andere manier van politiek bedrijven [Latour, 1989]. Als wetenschap niet altijd al – deels – politiek geweest is, dan is dat in ieder geval nu wel het geval. Wetenschap, en  – laat ik bij mijn leest blijven – specifieker Biologisch/medisch onderzoek, heeft een niet te verwaarlozen politieke component (gekregen) [Tauber, 1999]. Anno 2008 bijvoorbeeld bestaat een groot deel van de werkzaamheden van een hoogleraar – in ieder geval bij Biologie – uit het praten en vergaderen met geldschieters en bedrijven teneinde zoveel mogelijk geld het los om al het lopende onderzoek maar draaiende te kunnen houden. En ik vrees dat dit af en toe ten koste gaat van de objectiviteit en de mogelijkheden van het fundamentele onderzoek.

Maar hoe zit dit dreigende verlies, of de schijn daarvan, van de objectiviteit van de wetenschapper juridisch en ethisch? In de beroepscode voor Biologen, zoals vastgesteld door het NIBI (Nederlands Instituut voor Biologie) [NIBI, 2001], staat in een vijftal vuistregels beschreven hoe een wetenschappelijk actief Bioloog zich idealiter zou moeten gedragen. Artikel 2 handelt over de bioloog in relatie met de maatschappij. Een van de subartikelen van dit artikel is dat de bioloog wetenschappelijk integer moet handelen bij onderzoek in opdracht van derden. De wetenschappelijke waarden en normen dienen gerespecteerd te worden, zonder dat deze verder met al te veel woorden nader worden gespecificeerd. Ook laat deze gedragscode alle ruimte voor geheimhouding en afspraken over auteurs- en eigendomsrechten als er gewerkt wordt voor bedrijven.

Waarom worden dergelijke passages en objectiviteitrisico’s geaccepteerd? Moet zelfs de schijn van verlies van objectiviteit niet al voorkomen worden? De reden hiervoor moet worden gezocht in een tweetal gegevens. Ten eerste hebben de maatschappij en de wetenschap het in de loop der eeuwen zelf zover laten komen. Het huidige systeem van de tertiaire geldstromen is niets meer en niets minder dan een bijwerking van het kapitalistisch systeem, waarin privatiseren lange tijd het toverwoord is geweest. Dat dit niet altijd even goed gaat, kan elke treinreiziger beamen. Overigens zeg ik hiermee niet dat ik vind dat het kapitalisme gefaald heeft, of nog steeds faalt, integendeel. Door dat systeem heb ik een dak boven het hoofd en genoeg geld voor de primaire levensbehoefte, het volgen van een studie enzovoorts. Ik vind echter wel dat er – zoals aan elk systeem – wel de nodige punten van verbetering zijn.

Het tweede punt is dat de keuzevrijheid, en daarmee de vrijheid van handelen in de wetenschap niet zo groot is als ik die graag zou zien. Dat wil zeggen, er kan altijd decadent gekozen worden om geen geld en opdrachten van bedrijven meer aan te nemen, maar het alternatief is geen geld en dus geen onderzoek hebben. Het maken van een dergelijke keuze lijkt af en toe, om een hyperbool uit de kast te trekken, kiezen tussen twee kwaden. En toch zou ik zelf geloof ik waarschijnlijk ook mijn trots opzij schuiven en kiezen om dan toch maar concessies te maken om onderzoek te kunnen doen. En toch is trots, ondanks het ontbreken van smaak, geur en volume, af en toe moeilijk in te slikken.

Het zou goed zijn dat niet alleen alle wetenschappers, maar ook de overheid en het bedrijfsleven, de ontwikkelingen op dit gebied nauwlettend volgen en blijven volgen en ingrijpen zodra dat nodig is. Objectiviteit is de fundering waar de hele moderne empirische wetenschap op gebouwd is. Laat het onafhankelijke statige bouwwerk dat de wetenschap in de loop der millennia geworden is geen ruïne worden die de kinderen van later alleen nog kennen uit, door multinationals gesponsorde, geschiedenisboekjes.

  • Woertman, Liesbeth, (2008), Schoonheid is een keuze, over sociale druk
  • Sterck, Liesbeth, (2008), Hebben dieren vrijheid van handelen?
  • Volkskrant, Persson, Michael en Rengers, Merijn (11 april 2008)
  • Nys, Thomas, (2008), De vrije wil als filosofisch probleem
  • Latour, Bruno, (1989), Science in action
  • Tauber, Alfred I, (1999), Is Biology a Political Science? uit: BioScience, Vol. 49, No. 6 (Jun., 1999), pp. 479-486
  • Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI), (2001), Beroepscode voor Biologen

Frank