Echte familie

TreinHet is een klamme dag ergens begin juni. Het is zo’n dag dat het minstens 25 graden is, maar waarop je de zon slechts sporadisch vanachter het dikke wolkendek tevoorschijn ziet komen. Zo’n dag waarop – en excusez les mots – het zweet je in de bilnaad staat. Helemaal als je ruim een uur op de met plastic beklede bankjes van een overvolle NS-trein tweede klas – uiteraard Spartaans uitgevoerd zonder enige vorm van klimaatcontrole – moet zitten voor een reis waar op papier drie kwartier voor uitgetrokken is.

Door de hitte in de overvolle trein had ik niet de puf om op te staan en mijn rugzak uit het bagagerek te pakken teneinde mij wat leesvoer te verschaffen. Bovendien was ik bang in slaap te vallen bij al te lange blootstelling aan gortdroge vakliteratuur over nu nog doodsoorzaak nummer twee. Volgens ingewijden en mensen die daar na jaren van studie verstand van hebben duurt het niet lang meer voor deze ziekte van plaats heeft geruild met de huidige nummer een, maar dit verder terzijde. Om op en andere manier de tijd te lijf te gaan en mogelijk zelfs te doden besluit ik om me heen te kijken. Eerst uit het raam, maar (palindroom!) ik merkte dat ik na een minuut of wat begon te knikkebollen van al dat weiland. Dan maar mensen kijken, lotgenoten in deze warme, volle coupé.

Een chagrijnige student in polo, spelend met een dure telefoon, een oma met een kleinkind in de waarom-fase, een man in pak, een stel pubers. En meer van hetzelfde. Of toch niet. Mijn blik blijft gevestigd op een forse donkere vrouw in een felgekleurd gewaad met drukke bloemenprint. Naast haar, bij het raam, zit een ielige, tengere blanke man in korte broek met daarop een zwart t-shirt met Guns ’n Roses logo. Zijn voeten gehuld in witte sportsokken van het merk Adidas, deze sportsokken op hun beurt weer gehuld in ergonomisch ontworpen sandalen. Zou deze man weten dat de naam van de zanger van de band op zijn t-shirt een anagram is voor ‘oral sex’? Zou deze man weten wat een anagram is? Zouden deze man en de vrouw naast hem…?

De in mijn afdwaling gestelde vraag wordt indirect min of meer beantwoord als de vrouw zich opeens tot de man wendt en in een rood pukkeltje, waar een zwarte haar uitsteekt op zijn gezicht, knijpt. De man slaakt een beschaafde kreet en wendt zijn gezicht af door naar buiten te kijken.

“Je moet dat haartje echt weghalen”, beveelt ze de man met zwaar Surinaams accent. De man kijkt haar serieus en licht geïrriteerd aan,”Dat kun je er toch niet zomaar uit trekken, dat moet ik afscheren. Maar dat kan niet, want vanochtend met het scheren deed het ook al erg veel pijn. Dus je moet er echt niet zo aan zitten trekken!”
“Vind je het niet leuk om je broer weer te zien? Zo kun je toch je broer niet gaan zien!”, verontwaardiging bij de vrouw, die haar jurk herschikt. “Jawel hoor”, het verstrooide antwoord van de man die inmiddels weer ongeïnteresseerd naar buiten kijkt. “Het is toch fijn hè, om weer echt met je familie te zijn!”, probeert de vrouw het gesprek op gang te houden. “Jij bent toch óók al 20 jaar mijn familie?”, de man pakt even haar hand beet. (Hiermee kwam ook het directe antwoord van mijn vraag van zo-even, ik ben toch wel een beetje verrast.) “Jawel, maar dat is toch anders, ik ben niet je échte familie. Echte familie is toch anders. Moet je je broer niet bellen dat we zo op het station van A. zijn?”. De trein is nog niet zo heel lang onderweg, en het duurt nog minstens 20 minuten – wind mee – voor de trein stopt op perron 1, het enige perron, van station A. De man schijnt dat ook te weten want hij maakt geen aanstalten te gaan bellen. “Hij woont vlakbij het station, ik bel wel als we er zijn.”
“Maar het zou toch zo leuk zijn als hij al op het station staat als wij de trein uit komen!”. De man mompelt wat en kijkt weer naar buiten. “Zou je broer een scheermes hebben dat je even mag lenen?”

De rest van de reis heeft er weinig verbale communicatie tussen het tweetal plaats. Als de conducteur op jolige wijze het station A. aankondigt (“A, stá-tion A.”), staat de man op, helpt zijn vrouw omhoog en loopt tussen de andere passagiers met bestemming A. richting het gangpad en verdwijnt uit het zicht.

Als de trein enige minuten later verder rijdt, kijk ik uit het raam en zie een kleine, maar forse Surinaamse vrouw in felgekleurde bloemetjesjurk, hand in hand met een slungelige telefonerende blanke man richting de uitgang van het station lopen. De rest van mijn reis vraag ik me nog maar één ding af. Zou de broer van de man een scheermes over hebben?

Frank