Onsterfelijk (voor Harry)

Paul Vreugdenhil heeft voorzover hij weet zijn hele leven gedroomd van onsterfelijkheid, maar niet op de manier waarop Freddy Mercury of Elvis Presley volgens sommigen onsterfelijk geworden zijn. Paul wil onsterfelijkheid in de meest letterde zin van het woord. Paul wil niet dood gaan, oneindig blijven leven. Iedereen om hem heen zien groeien, oud zien worden, dood zien gaan en dan na een plechtige ceremonie met cake en koffie en krokodillentranen plaats zien maken voor nieuwe mensen. En die dan weer zien opbloeien en verwelken. En dat steeds opnieuw. Paul was een dromer. De cyclus van geboorte, groei en onontkoombaar daaropvolgend verval en dood, zouden zijn eigen onsterfelijkheid alleen maar verder accentueren. Wegens het ontbreken van een gedegen religieuze opvoeding, iets wat hij zijn ouders overigens nog altijd, jaren na hun dood, behoorlijk kwalijk nam, wist hij maar al te goed dat de kans op onsterfelijkheid, desnoods in een leven na de dood of middels reïncarnatie, nihil was. Maar dat maakte alleen maar dat hij de onsterfelijkheid met het verstrijken van de jaren alleen maar meer ging begeren.

Het toeval wil dat Paul onlangs op klaarlichte dag in een pashokje op de zesde verdieping van een groot warenhuis, slechts gehuld in donkergrijze onderbroek, een aantrekkelijke vrouw tegenkwam. Een lange, slanke vrouw, blond haar, rood jurkje, rode pumps, rode lippenstift. In eerste instantie schrok Paul nogal toen de vrouw opeens zijn pashokje binnen stapte. Van het een kwam het ander en na een situatie van enig ongemak raakte het tweetal aan de praat en toen een verkoopster kwam melden dat dít echt niet de bedoeling was en dat pashokjes voor één persoon waren, nodigde Paul de vrouw uit tot het drinken van een kop koffie in datzelfde warenhuis.

Het gesprek verliep ongebruikelijk vlot en Paul had het idee dat hij deze vrouw al zijn hele leven kende. Of zij hem. Het gesprek kwam dan ook al snel op zijn heimelijke wens. De ogen van de vrouw begonnen te fonkelen en een glimlach verscheen. Ze pakte haar tas, rommelde wat en haalde er een pakje sigaretten uit. Ze deed het pakje open en haalde er een brandende sigaret uit, nam een trek en zei toen dat ze zijn wens eventueel wel in vervulling kon laten gaan. Paul voelde zich opgelaten omdat de vrouw zat te roken en speelde het spelletje mee in de hoop zich er gauw vanaf te maken. Lachend bood hij haar zijn ziel. Weer verdwenen de handen van de vrouw in haar zwarte handtas en ditmaal kwam er een stuk papier uit. “Hier tekenen”. Paul voelde zich hoe langer hoe ongemakkelijker en tekende snel. Nadat hij het getekend had, moest de vrouw plotseling gaan. Hij vroeg om haar nummer, maar dat wilde ze hem niet geven. Wel maakten ze een afspraak voor later die avond. Soort van. “Ik weet jou wel te vinden,” en ze stond op en liep weg.

Verbijsterd keek Paul hoe de vrouw, hij had niet eens haar naam gevraagd, zich steeds verder van hem verwijderde en zag hierin een metafoor voor hoe het leven langzaam vervaagt. Toen de vrouw nergens meer zichtbaar was, wierp hij een blik op het papier op de tafel. Hij moest gniffelen. Wat een apart stukje tekst. Hij, Paul Vreugdenhil, stond daar nou echt zijn volledige naam? Hij, Paul Vreugdenhil, zou onsterfelijk zijn zolang zich nimmer op zijn tong zouden vermengen, rattenvlees, Escherichia coli, sambal Setan, teer en bier warmer dan zes graden. Paul vouwde het papier driemaal en stopte het in de binnenzak van zijn jas, stond op, keek op zijn horloge. Hij zag dat het warenhuis bijna ging sluiten en liep de winkel uit. Hij voelde zich, ook door de spanning en onzekerheid over wat er die avond zou komen, zou hij de vrouw weer zien? Dan zou hij haar vragen hoe het nou zat met dat papier en hoe ze aan zijn achternaam was gekomen. Had hij die soms verteld? Hij slenterde wat door de straten van de stad A. Hij bezocht enkele cafés en dronk. Bij elke consumptie, wellicht de alcohol, dat besefte hij zelf ook wel, begon hij meer en meer te geloven dat dit toch geen grap was en dat hij vanaf vandaag écht onsterfelijk zou zijn.

Enkele uren later besloot hij wat te gaan eten. Voor de deur van het derde of vierde café dat hij die avond bezocht had, haalde het papier voor de zoveelste keer uit zijn jaszak en liet hij zijn ogen nog eens over de tekst glijden. Hij begon hoe langer hoe meer te geloven dat dit geen grap was. Hoe wist ze anders zijn volledige naam? En die tekst, zoiets verzin je niet. De kans dat rattenvlees, poep-bacteriën, lauw bier, sambal Setan en teer zich ooit zouden vermengen op de tong van een gewone sterveling, leek hem verwaarloosbaar klein. Niet iets waar hij zich, als jonge Onsterfelijke, druk over zou moeten maken. Gelaten, verward, maar vooral erg hongerig stapte hij nog geen kwartier later de eerste afhaalchinees binnen die hij tegenkwam en die nog open was rond dit onchristelijke tijdstip. De Rode Draak geheten.

Hij ging zitten, bestelde gerechten die hij bij de nummers noemde, at, dronk. Hij liet het zich goed smaken. Toen de borden en schalen op tafel 16 bijna leeg waren en Pauls gigantische eetlust eindelijk in omvang afnam, werd alles zwart voor zijn ogen. Het eerste wat hij daarna zag was de blonde vrouw, schaterlachend.

Frank

Een gedachte over “Onsterfelijk (voor Harry)

Reageren verboten!