Op karakter

Na redelijk wat jaren biomedische opleiding denk ik het wel te weten. Verslaving is, zoals alles in het leven een biochemisch moleculair samenspel. De hoofdrollen zijn weggelegd voor eiwitten met ingewikkelde namen als OPRM1, GABRA2 en ANKK1. Het script staat beschreven in de vier noten van het DNA. Het libretto van de luide opera van het leven. Bij lagere organismen is het verhaal daarmee prima te volgen en valt er – dikwijls hele akten – vooruit te lezen. Met het klimmen op de evolutionaire ladder wordt dat echter steeds lastiger. Op de sport van de mens menen aandachtige wetenschappers af en toe een Leitmotiv te bespeuren, maar in het algemeen lijkt de voorstelling meer op improvisatietheater dan op opera.

Bovendien speelt er behalve het script uit het DNA uiteraard meer mee: zoals bijvoorbeeld de theaterzaal waar het stuk wordt opgevoerd. Luidruchtig of weglopend publiek, beroerde akoestiek of een half afhangend doek met gaten. En misschien worden er wel eens rotte tomaten of eieren gegooid. Het milieu en de omgeving dus. Welke van al deze factoren nu het belangrijkst is voor een goede opvoering houdt in meer basale vorm de gemoederen eigenlijk al bezig sinds Plato en Aristoteles. En nog steeds worden verhitte nature versus nurture oorlogen uitgevochten in de loopgraven van talloze wetenschappelijke tijdschriften.

In de psychiatrie denkt men de strijd inmiddels wel beslecht te hebben. Helaas, geen overeenstemming over de belangrijkste etiologische factor van verslaving. Dat laten de psychiaters in het midden. Maar er lijkt wel consensus te zijn, een staakt-het-vuren zo u wilt, over het antwoord op de vraag of verslaving nu wel of niet gezien moet worden als een ziekte. Al sinds de allereerste editie van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 1952), het libretto van de geestesziekten, is er een hoofdstuk gereserveerd voor verslaving. Weliswaar eerst als persoonlijkheidsstoornis, tussen stoornissen als narcisme en de theatrale persoonlijkheidsstoornis en pas in latere edities als het losstaande ‘substance dependency/abuse’. Evengoed heel wat, bezien in de context van het pas twintig jaar later (1974) verdwijnen van homoseksualiteit als geestesziekte uit hetzelfde boekwerk.

De psychiaters beschouwen verslaving dus al decennia als een ziekte, gekoppeld aan een middelenafhankelijkheid. Maar is het daarmee ook te verklaren of mogelijk zelfs op te lossen? Goed, het gebruik van sommige middelen met een intrinsieke beloning resulteert geleidelijk in een verhoging van de drempelwaarde van de genotsbeleving resulteert zo in afhankelijkheid. En ja, beginhoogte en flexibiliteit van die drempel liggen deels besloten in de genen en zijn voor iedereen anders. En dan is er nog de onmiskenbare invloed van de omgeving; de blootstelling aan bepaalde middelen en andere externe invloeden.

Maar mogen wij als mens niet graag geloven dat wij in tegenstelling tot andere dieren het vermogen hebben ontwikkeld om, weliswaar tot op zekere hoogte en niet tijdens het voetbal, uit te stijgen boven en verzet te bieden aan onze (oer)driften en het ratio te laten zegevieren? Valt er dan ook geen verzet te bieden tegen de drug en zijn effect op onze drempels? Haast tegen beter weten in verzet bieden. Met pure wilskracht. De geest sterker dan het lichaam. Dat wat men in de wielrennerij zo mooi winnen op karakter noemt. Maar ook hier lijkt de ene persoon flink beter in te zijn dan de andere. Of zouden karakter en wilskracht ook slechts exponenten zijn van genen en omgeving? De verslavingsopera kent derhalve twee mogelijke finales. Het slotstuk is een genen-omgeving-cirkelredenering of een neerwaartse spiraal. Wellicht wordt in dat laatste geval het ontbreken van karakter dan ook tot officiële geestesziekte gepromoveerd. Een beangstigend scenario. Dan wordt de zorg pas écht onbetaalbaar.

Frank

Reageren verboten!