Op safari

Wat heeft vier poten en staat in het weiland? Het is een grap die je als geneeskundestudent vaak voorbij hoort komen. Het gewenste antwoord op die vraag, om de grap voor de arts te laten slagen, is de zebra. Nog mooier vinden ze het als je als verse co-assistent, zogenaamd onbekend met de grap, niet goed weet wat je moet antwoorden. Stamelen en verbaasde blikken doen het goed.

Wat dan volgt is een mopperend monoloog van de arts. Dat studenten altijd uitgaan van de meest zeldzame ziektebeelden (zebra’s) en daardoor de meest voor de hand liggende ziektes (koe, schaap, paard) over het hoofd zien. In veel gevallen is dit natuurlijk ook gewoon zo. Vers uit de, niet zelden ontzettende dikke en gedetailleerde, boeken is het niet altijd even gemakkelijk kijk te hebben op de dagelijkse problemen van de praktijk.

Maar dit is natuurlijk niet het hele verhaal. Veel van de zeldzame ziektes zouden wij ook niet kennen als we er niet ooit onderwijs over gehad zouden hebben. De zeldzaamste ziektes krijgen relatief, maar vaak ook absoluut, de meeste tijd bij de colleges. Omdat je nu eenmaal studeert in een academisch ziekenhuis waar veel onderzoek gedaan wordt naar allerhande intellectueel uitdagende zeldzaamheden. Er is dan altijd wel een of andere arts/onderzoeker te vinden die het leuk vindt om enkele uren over zijn hobby-ziekte of -afwijking te praten.

Zo heb ik vorig jaar eens uren en uren college gehad over enkele zeldzame syndromen die in het (on)gunstigste geval bij 1 op de miljoen mensen voorkomen. In analogie met het weiland hebben we het dan zeg maar over driepotige albino-dwerg-zebra’s. Laatst wist ik zo’n exemplaar in het wild te herkennen op de SEH. Ik waande mij op safari. Het kan helemaal geen kwaad om af en toe de horizon iets te verbreden met een expeditie naar zeldzaamheden. Als men de uitgestrekte weilanden vol koeien en schapen maar niet uit het oog verliest.

Frank