Bottled conditions

In het artistieke wereldje gaat het al lang niet meer om kwaliteit of zelfs om kwantiteit. Nee, originaliteit, dat is het nieuwe sleutelwoord. Waar men vroeger bejubeld werd om realisme (kwestie van techniek), abstractie (appeltje-eitje), en later om een vloer besmeerd met pindakaas (aanbieding afwachten), een goudvis in een blender (niet op de knop drukken!) of een zelfportret geschilderd met doorbloede tampons (vrouwendingetje), is dit tegenwoordig niet meer toereikend.

Het publiek wil almaar gekker en origineler. Zo strak als de dames en heren museumbezoekers overdag in hun keurslijf zitten geperst, zo los en gek willen ze het ‘s avonds en in het weekend zien. Liefst bij een ander, vanaf de zijlijn. Met een glas dure goedkope bubbels (verkoop- respectievelijk inkoopprijs) brallen ze om het hardst op quasi-intellectuele borrels in de talrijke kunstgalerijen en musea die elke zichzelf respecterende stad tegenwoordig rijk is. Hoe vrijgevochten deze kunstenaar A wel niet is en hoe zijn dan wel haar werk hen zo doet denken aan het werk van de vroege kunstenaar B, wat zij onlangs in Berlijn gezien hadden, ja toen kunstenaar B nog onbekend was, nu is het toch wat te commercieel allemaal.

Het moge duidelijk zijn, al mijn goede smaak ten spijt raak ik regelmatig verzeild in dergelijke kringen.

Het was op zo’n avond, het zal ergens in november zijn geweest, ik weet nog dat ik een dikke wollen sjaal droeg, dat ik terecht kwam in een oude fabriek ergens op een industrieterrein. Een grote ruimte, slordig witgeverfde vloer en muren, buizen en leidingen over het plafond. Geknutseld industrieel. Op de onvermijdelijke statafels na, alwaar de zelfbenoemde intellectuelen verwikkeld waren in een verloren discussie over Japanse literatuur (“het is mij allemaal wat te onwerkelijk, de échte literatuur komt wat mij betreft tegenwoordig toch uit Taiwan”), stond er slechts een tweetal rijen metershoge witte zuilen in het grote vertrek.

Bovenop de zuilen stonden gekurkte erlenmeyers. In elk glaswerk stond een laagje water, soms helder, soms wat gelig, soms troebel, soms met een roze of bruine gloed. Tegen elke zuil hing met plakband een papier met handgeschreven uitleg. Teksten als “Zaterdag 23 juli 2010, 02:00-06:13u, Darkroom Club Trotsky, Berlijn, Duitsland” (ongeveer een kwart gevuld, troebel) of “Week 23 2008, Aula Bejaardenhuis Avondgloren, Schubbekutteveen, België” (vol, helder).

Dan, een hand op mijn schouder en ik draai me om. Een kerel van ongeveer mijn leeftijd, strakke zwarte broek, een wit shirt vol vlekken, baard, grote bril, kale kop. Dit moet haast wel de erlenmeyervuller zijn.

“Dag F.”

“Dag onbekende.”

“Je kent me vast niet meer.”

Ik antwoord bevestigend. Ik heb al vroeg geleerd dat bluffen dergelijke situaties nog gênanter maakt. Eerlijkheid duurt het langst.

“S! Ik heb met jou op de middelbare school gezeten in G. Je weet wel, S. uit A!”

Feitelijk had ik nog steeds geen flauw idee, maar de stad klopte in elk geval. Ik zal hem inderdaad ooit wel gekend hebben.

“S!” zeg ik. “Ik weet het inderdaad weer. Dat ik het niet meteen zag, joh! Los van de kledingstijl, de baard, het Amerikaanse accent, de bril en de kale kop, ben je eigenlijk nauwelijks veranderd.”

“Hey maar, hoe is het ermee? Zeg eens, heb jij al deze potten,” ik maak een wijds gebaar in de ruimte, “gevuld joh? Hoeveel tijd kost zoiets nou?”

“Ja, dit is mijn expositie. Bottled conditions. De critici zijn erg enthousiast. Vind je het wat?”

Ik zwijg.

“Het is airconditioning-condens dat ik opgevangen heb op verschillende plekken op de wereld. Het is mijn eerste grote project, ik ben hier drie jaar mee bezig geweest. Drie jaar reizen en slapen in hotels, het was afzien. Enfin, hoe is het jou vergaan na de middelbare school?”

Wat een ontzettend lelijk woord dat ‘enfin’ toch in de spreektaal. Mensen zouden dat niet moeten gebruiken en als men dan toch per se iets Franstaligs zou willen gebruiken in hun intelligente conversaties, waarom dan niet gewoon ‘alors’? Ik vertel hem dat ik niet mag klagen en neem kort mijn curriculum vitae met hem door. Het interesseert hem natuurlijk weinig, maar hij weet het redelijk te verbergen. Een eigenschap die onontbeerlijk is voor avonden als deze. Pas als zijn aandacht duidelijk afdwaalt, vraag ik hem waarom het zo lang duurde voor hij de pakweg tien potten gevuld had. (En niet eens tot de rand!)

Vervolgens oreert hij over de moeilijkheden die hij heeft gehad met dit project (“de financiering was natuurlijk een ramp” en “de douane dacht dat ik drugs smokkelde” en “toen heeft die onbeholpen boer drie maanden werk leeg staan gieten in een blauwe kliko met waterflesjes”) en – nu met tranen in zijn ogen – over de gruwelijkheden, anders kon hij het toch niet omschrijven, van die ene zaterdagnacht in club Trotsky (“Nee, serieus, er gebeuren daar dingen die, als er geen sprake zou zijn geweest van volledige instemming van alle betrokken partijen, zouden kwalificeren als misdaden tegen de mensheid”).

“Nee, man man, wat viel me dat zwaar als monogame hetero. Mijn vriendin was ook echt heel erg boos en ze heeft me wekenlang met geen vinger aangeraakt. Maar je moet er wat voor over hebben. Het moet allemaal wel oprecht zijn, vind ik. Men heeft meteen door als ik alleen maar wat airconditionvocht had afgetapt zonder zelf actief deel te nemen aan die orgies. Het publiek prikt daar doorheen.”

“Ja, nee, begrijpelijk, dat zou ik ook ethisch erg dubieus vinden, hoor. De kunst gaat over grenzen, waar die liggen en wat er gebeurt als daar overheen gegaan wordt. Het moet wel een beetje op werken blijven lijken.”

Daar was S. het mee eens, hij knikte in elk geval.

“Hoe kwam je er eigenlijk op om condens op te vangen in flessen en dat te exposeren? Ik vind het bewonderenswaardig origineel. Zoiets zou ik zelf echt nooit verzonnen hebben, ik ben niet zo creatief. Verder dan een beetje schrijven kom ik niet.”

“Ach, het stelt allemaal niet zoveel voor, joh. Het zit zo. Ik weet nog goed dat ik als kind een keer met mijn ouders door een grote stad liep, ik weet niet meer welke, maar aangezien mijn bekrompen ouders nooit Europa uit zijn geweest, zal het in elk geval niet New York geweest zijn. Het was snikheet en we liepen uren door de stad, mijn ouders wilden natuurlijk geld besparen door alles te voet te doen en zo min mogelijk te stoppen om iets te drinken.”

Hij stopte even met zijn verhaal om zijn glas bubbels in een keer achterover te gieten, alsof hij de dorst van destijds opnieuw beleefde. Als stille steunbetuiging nam ik ook een slokje van mijn bruisende bocht.

“Enfin, tijdens het lange lopen door de stad viel het me op dat er soms opeens een koude druppel water uit de lucht viel, ondanks dat het niet regende, gewoon zo, uit het niets. Ik bleef dan dorstig stilstaan met mijn mond open en mijn hoofd naar achter en probeerde alle koele druppels op te vangen. Totdat mijn vader het doorhad en me, en plein public, het was in Parijs dacht ik, een klap voor mijn kop gaf. ‘Verdorie S! Doe eens niet zo vies! Dat is geen water, dat is puur zweet en lichaamssap uit die airco’s!’. Sindsdien ben ik eigenlijk gefascineerd geraakt door airconditioncondens. Hier staan nu tien erlenmeyers, en ik heb dit nog nooit iemand verteld, maar ik heb er thuis denk ik nog een stuk of 500. Ik heb na drie jaar maar gewoon tien willekeurige flessen uitgezocht om hier neer te zetten.”

“Wow. Over oprechtheid gesproken.”

“Ja, ik weet het. Eigenlijk best ernstig, hè?”

Ik knikte.

We zwegen in alle talen.

“Maar ik ben er nu eigenlijk wel klaar mee. Binnenkort spoel ik alles door de wc. Het is tijd voor iets totaal nieuws. Ik heb laatst ontdekt dat koelkasten aan de achterkant, bovenop het verwarmingselement een klein bakje hebben om condens en smeltwater op te vangen. Vooral als de deur veel open en dicht gaat of als de koelkast erg koud staat, zit zo’n bakje in no time vol. En het duurt dan dus vrij lang voor alles verdampt is. Man, man. Wat een interessante vloeistof ontstaat er dan. Mooie bruine kleur. En wat een sterke geur heeft dat soms. Ik heb laatst een half uur staan kokhalzen. Heerlijk! En het mooiste is…”

Ik zal nooit weten wat koelkastvocht voor S. nóg mooier maakte dan zijn verzameling bottled conditions. Ik was midden in het gesprek weggelopen, of zeg maar gerust -gerend.

In een waas, zonder jas, zonder dikke wollen sjaal. Op weg naar huis. En echt niet omdat ik het verhaal van S. mij zo choqueerde, ik had erger gehoord, veel erger. Maar wel omdat ik nu eindelijk wist waarom mijn oude koelkast, waar nochtans doorgaans weinig meer in staat dan pakken grapefruitsap en flessen witte wijn (de bottled conditions van mijn leven), de laatste weken zo vreselijk stinkt. Blijkbaar iets met een bakje aan de achterkant!

Echte kunst brengt mensen tot nieuwe inzichten. S. was een échte kunstenaar, zoveel was mij inmiddels wel duidelijk.

Frank